Kanskar

Filed Under (Nederlands, Persoonlijk, Werk) by Chris Pescott on 18-08-2007

Pfizer hanteert de ‘Kanskar’. De ‘Kanskar’ is geen lot uit de loterij, het is de auto die achteraan staat bij het uitdelen van lease-auto’s. Dat klinkt heel negatief, maar dat is het niet. Als werknemers hun contract opzeggen en dan hun lease-auto inleveren, blijft Pfizer met de auto’s zitten. Ze worden dan overcompleet, en worden als eerste aangeboden aan nieuw personeel. Zo mocht ik gisterenochtend kiezen uit enkele ‘Kanskarren’.

Mijn ‘Kanskar’! En deze is het geworden. Een Volkswagen Touran uit 2004! Black magic, met een zootje opties, waaronder mijn vertrouwde navigatie. De auto is niet nieuw, ik rijd het contract nog een jaar uit. Maar hij is wel erg gaaf! Golfspullen en MaxiCosi passen er gemakkelijk in. Evenals veel passagiers, wat je van een Europese MPV mag verwachten. Wie gaat er met me mee?

Hij staat er nog niet, ik krijg de sleutels over twee weken! I can hardly wait…

Pil

Filed Under (Nederlands, Persoonlijk, Werk, Zorg) by Chris Pescott on 17-08-2007

Omdat altijd alles beweegt, je jezelf moet blijven herontdekken en vooral niet moet vastroesten in handelingen waarvan je niet meer weet waarom je ze uitvoert, ben ik ingegaan op de vraag of ik niet nogmaals een gesprek wilde hebben voor de functie van medisch adviseur. Eerder al, ongeveer een jaar geleden, heb ik gesolliciteerd voor de functie medical advisor Rimonabant bij sanofi-aventis. Omdat men voor de Rimonabant een ervaren adviseur wilde, ben ik verder gegaan voor medical advisor Clinical research unit (CRU) . Maar de wereldwijde reultaten van sanofi-aventis vielen tegen, FDA, EMEA  en het CBG namen beslissingen die niet direct in het belang waren van dit bedrijf, en een vacaturestop werd afgekondigd. Jammer. Daarna heb ik niets meer vernomen, ook niet toen de cijfers weer aantrokken.

Pfizer bv Daarom was ik erg blij dat ik in juni 2007 door Brigitta Schellekens werd benaderd met de vraag of ik niet wilde komen praten over de functie van medisch adviseur bij Pfizer bv. Kort daarna was ik met Pfizer in gesprek over functie-inhoud, optionele diensten, een startdatum en een auto van de zaak. Mijn master HEPL zal ik uitstellen tot later, wellicht dat ik die in 2008 kan oppakken, eens kijken hoe het loopt. In eerste instantie heb ik enorm veel zin om binnen deze sector, en specifiek bij Pfizer aan de slag te gaan als medisch adviseur op de pijnmedicatie in Capelle a/d IJssel. Op 3 september start ik al! Wordt vervolgd.

Stallen

Filed Under (Nederlands, Persoonlijk, Vermaak, Zorg) by Chris Pescott on 09-08-2007

In de tijd dat ik nog co-assistent gynaecologie en verloskunde was in het Ziekenhuis Leyenburg, beleefde een co-genoot (uit mijn groep 44) bittere tijden in het Rijnland Ziekenhuis. Zijn ervaringen van de afdeling zijn een klassieke weergave geworden van de werkelijkheid. Herkenbaar, realistisch en absoluut hilarisch is het volgende relaas.

Overigens zijn deze ervaringen niet die van Anne-Wil of mij ten tijde van de opvang en bevalling van Wynn. Dat ging namelijk uitermate soepel en professioneel allemaal, daarvoor hulde. Het verhaald is er overigens niet minder grappig om…

Op de boerderij

Tja, ik zal maar meteen met de deur in huis vallen: Het zijn zware tijden op de boerderij-afdeling, voor mezelf omgedoopt tot de ‘stallen’. We hebben 6 stallen om precies te zijn, die over het algemeen 24 uur per dag bevolkt zijn met vrouwpersonen die niet op een pondje meer of minder moeten kijken. Een soort reuzenzeugen. Ze puffen, hijgen, knorren, gillen en krijsen dat het een lieve lust is. Ondertussen zwermen mossige verloskundigen met open schoenen (waarom juist hier??) van kamer naar kamer als werksters die in een bijenkorf van larf tot larf gaan.

Ik sta erbij en kijk er vaak naar. Soms moet ik een handschoen aandoen om te kijken of er al wat uit komt.’Ga met je poten uit mijn muts!’ hoor ik uit de verte roepen. Tja, ik doe dit ook niet voor mijn lol. Het is diep en sappig wat ik aan mijn vinger voel. Dan voel ik een lolobal. Moeder is nog niet helemaal ontsloten. Zeg maar zoals Ter Aar ontsloten is op de rest van ons wegennet. Dan maar wat meer van die gel erin. Vaak na 5 uur wachten komt er nog niks. Ja ja het is een dynamisch vak de verlossingskunde. Na eindeloos ophogen van de Synto-pomp (waarom geven ze dat niet meteen als ze a term zijn??) gaan ze persen en hijgen en bolt het perineum op tot een halfronde vorm. Pis, poep, schijt, vruchtwater, fluor van de afgelopen 9 maanden, resten sperma en bloed, vooral veel bloed komen naar buiten gegolfd in een tempo waarbij de Noordzee met windkracht 10 nog rustig is. Gelukkig heb ik mijn kaplaarzen aan denk ik dan maar. het CTG-apparaat draait overuren met een frequentie van 200 per minuut. Het papier raakt ook nog op. Terwijl ik zelf heel hard aan een heftige bedscene met mij en Tom Cruise probeer te denken hoor ik in de verte een werkster roepen ‘doorgaan, doorgaan’.. ja ja ja ja… ik kom! Bij de bushalte vertrekt bus 42 naar het station. Zat ik daar maar in…

De vrucht gaat eruit komen maar net niet helemaal. Zoals een dikke BMW in een iets te nauwe parkeergarage komt het naar buiten, en floept het weer terug. Komt het naar buiten en kruipt het weer terug. De assistent noemt het 3 stappen vooruit, 2 stappen achteruit. Ja ja denk ik dan… De vrouw knijpt in je handen alsof ik zelf ook geen gevoel meer heb in mijn lichaam. Al hyperventilerend komen jij en de assistent toch maar tot de conclusie dat het kind een kapje moet krijgen. De stofzuiger gaat aan, de gynaecoloog trekt het hoofdje met een ankerketting richting uitgang. Zoals je zelf de stop uit het bad trekt. Ik durf vaak niet te kijken. Bang dat opeens een kopje zonder romp tegen de muur gaat aanvliegen… Wanneer het hoofdje de vorm van een komkommer heeft is het vaak goed en pakt de gynaecoloog de Grote Schaar en knipt de vrouw open tot halverwege haar bil. Van afschuw draai mijn hoofd weg. Ik hoor de schaar knippen. Nu is het echt de rode zee van waaruit een harige courgette met daaraan een rompje vol met smegma getrokken wordt. Vaak moet ik het uitzuigen… Bang om zelf zuigelingensputum door te slikken, daarom blaas ik vaak maar… ‘Houd het lekker zelf bij je,’ denk ik dan. Buiten stapt de familie uit bus 40…

Opkijkend tussen de enorme dijen van de vrouw, over de rode heuvel, ziet het hoofd van de moeder eruit als een blauwe zon. Ze huilt en is blij. Ook pappa huilt. Zusje is niet blij. Ze was liever alleen gebleven. Terwijl ik aan een – uit de moeder hangend – snoer trek, wat voelt als een inktvis, rinkelen de GSM’s in koor om je heen en zoemen de HandyCams als wespen rond een glas bessenjenever… Dat zou ik nu best wel lusten. Pappa krijgt een schaar en moet met zijn door tranen betroebelde ogen op het inktvisdraad mikken. Het zakje met de balletjes wordt op een haar na gemist. Pfff… dat moest er nog eens bij komen. Oma vindt het niet meer leuk en gaat op de gang een shekkie draaien. Een verre tante gluurt stiekem achter het gordijntje.
Het kindje heet Djowie Luca. Iedereen roept in koor ‘wat bijzonder, waar komt het vandaan?’ De ouders weten het zelf niet. Ondertussen ruk ik nog wat aan het inktvistouw. Het geeft niet mee, alsof er een enorme vis aan de andere kant zit te trekken. Laten we er maar een naald in steken. Djowie huilt ondertussen dat het een lieve lust is. Opa heeft geen oog voor de kleine en gluurt al vanaf het begin mee over mijn schouders naar wat er tussen de benen van zijn schoondochter gebeurt. Djowie is nu los van moeder en sabbelt er al uitbundig op los. ‘Was ik dat maar…’ fluistert opa in mijn rechteroor. Bus 49 vertrekt naar Noordwijk. Ik zou best willen uitwaaien op het strand…

Het borrelt en het pruttelt. Dan heb ik beet. Het is geen haai, maar een grote paarse kwal. Warm en drillerig met een aparte geur. Ik ontleed de kwal en keer hem binnenstebuiten. Er zitten geen rare dingen aan of in, moeder vertelt triomfantelijk dat je dus van roken geen slechte placenta krijgt. Hij hoeft niet mee van pappa. De tuin is toch al net nieuw aangelegd. Ik geef Djowie een nicotinepleister op zijn navelstrengetje terwijl ik zijn vingertjes tel. Mamma wil hem terug. Intussen wordt ze met veel visdraad voor zover het gaat weer dichtgemaakt van onder. ‘Zo, dat gaat bij de derde vast makkelijker,’ denk ik dan. Vader en opa kijken bedenkelijk en vragen zich af of het nog wel goed komt. Moeder voelt niks. Pappa zal nooit meer iets voelen. De assistent zegt dat hij nog even aan het rommelen is van onder. ‘Hmm, hij heeft de essentie van het vak begrepen.’ denk ik bij mezelf. Bus 48 vertrekt…

Moeder is dicht. Dader of vader zit te SMS-en. De rest van de familie bonkt op de deur alsof hier de dolle dwaze dagen van de Bij gaan beginnen. Ik zit onder het bloed, en ik voel me ranzig. Moeder wil douchen… Ik ga eerst…

Peter Nijboer, 19 september 2002

Wynn is alweer een week geleden geboren in het Rijnland Ziekenhuis Leiderdorp, onze familie heeft niet in bus 40 gezeten…

Cijfers

Filed Under (Column, Nederlands, Persoonlijk, Studie) by Chris Pescott on 04-07-2007

In de tijd dat ik nog geneeskunde studeerde, of nee, in de tijd dat ik ingeschreven was bij de faculteit geneeskunde, was het adagium: ‘Een 6 is voldoende’. En daarmee bedoelde ik natuurlijk een 5,5. Het kwam voor dat ik meerdere pogingen nodig had om die 5,5 te bemachtigen, al dan niet met discussies bij nabesprekingen om maar dat laatste tiende puntje te sprokkelen om mij voor een extra herkansing te vrijwaren. Dat was toen, in de jaren ’90.

Onlangs maakte ik een behoorlijk onevenwichtig tentamen bij het iBMG in Rotterdam. Zorgverzekeringen en Zorgstelsels heet het integratievak, waarin diverse elementen van de verzorgings- en verzekeringsstaat aan bod kwamen. Waarom was het tentamen onevenwichtig?

Ten eerste omdat het nauwelijks een afspiegeling was van de colleges. Geen enkele rechtenvraag kwam er in voor, en dat terwijl toch ongeveer 15% van de colleges hieraan was gewijd. Hier en daar bleek het in de tentamenvragen mogelijk wat juridische zaken aan te slepen, maar dat betekent nog niet dat er sprake is van evenwicht.

De hypnotiserende kracht van cijfers Ten tweede werd met name aan het thema ‘maatschappelijk ondernemen’ juist onevenredig veel aandacht geschonken. Natuurlijk dit is belangrijk, maar naast een essay zou men toch kunnen verwachten dat aan andere belangrijke thema’s wat aandacht zou worden besteed. Het essay blijkt een ‘teaser’ te zijn geweest waaruit de gemiddelde student had moeten afleiden dat hij of zij er nog veel meer over zou worden doorgezaagd. Zo had ik het niet begrepen. Dit laatste temeer daar het essay geen enkele waarde vertegenwoordigt in de herkansing. En zelfs nu was de weging (10% van het eindcijfer) eigenlijk de moeite van de exercitie niet waard. Wel voor het cijfer op zich, niet voor de uitwerking die het maximaal op het eindcijfer kan hebben. Daar komt nog bij dat ik een sterke aversie heb tegen het type vraag: ‘In de colleges en in het laatste hoofdstuk van het proefschrift van dr. zus en zo staat iets wat u hier moet reproduceren [5 punten]‘, waardoor ik zo’n vraag gewoonweg niet WIL beantwoorden. Het getuigt namelijk van een mening, een indivuele perceptie, en om dat nou als gemeengoed te accepteren in een tentamenvraag gaat me echt veel te ver. Zelfs wanneer het gaat om een proefschrift. Het lijkt op rijtjes leren wat ik op de basisschool vaak moest evenals bij Duits in 3 VWO en bij geneeskunde (noteer de 5 meest voorkomende diagnosen van acute buikpijn). Onevenwichtig, ook hier.

Ten derde was het tentamen onevenwichtig in zichzelf. Wat ik daarmee bedoel? Dat het prettig is te ervaren dat je na 5 van de 15 vragen ongeveer op 1/3 deel van de totaal beschikbare tijd uitkomt en ook op ongeveer 1/3 deel van het schrijfwerk. Schrijven op zich is geen probleem, maar halverwege had ik er eigenlijk weinig zin meer in. Een gevoel bekroop me, zo van: ‘Ik weet het antwoord wel, maar ik heb gewoon geen enkele motivatie om het op te schrijven.’ De lol van het beantwoorden was bij dit tentamen erg ver te zoeken. Intern dus een gebrek aan evenwicht.

Mijn eindcijfer? Natuurlijk een 5,5! Tevreden en blij? Nee natuurlijk niet, want het zorgt voor een dramatische onevenwichtigheid op mijn cijferlijst waar tot vandaag alleen maar 7′s en hoger prijkten. Gecombineerd met het essay levert het een magere 6 op. Het geneeskunde gevoel gaat vandaag niet op. Misschien is het zo dat de laatste loodjes van het collegejaar toch echt het zwaarst wegen, dat het venijn in de staart zit en meer van dat soort opbeurende spreekwoorden om… iemand op te beuren! 1

Nee, ik ben effe uit balans nu… Voor mij geen vuurwerk voor de onafhankelijkheidsdag vandaag.


1 Theo Maassen, ‘Neuk het Systeem’ (1997).

Integratie

Filed Under (Column, Nederlands, Nieuws, Persoonlijk, Studie, Vermaak, Zorg) by Chris Pescott on 27-06-2007

Nadat ik enkele weken geleden wat boeken had gekocht, had ik geld over om boodschappen te doen. In de super was ik vrij snel klaar en sloot achter aan de rij bij de kassa. Het was kwart voor vijf. Voor me stond Rijkman Groenink, je weet wel, van de ABN. Toen het voor hem tijd was de € 33,20 af te rekenen bleek hij helaas zijn portemonnee niet bij zich te hebben. ‘Laten liggen in Engeland, denk ik…’ mompelde hij. Hij vroeg me of ik voor hem kon betalen. ‘In ruil waarvoor?’ was mijn antwoord. ‘Ik geef je een aandeel ABN!’ Hij toverde er een enorme stapel van uit zijn binnenzak. Dat zo’n aandeel meer waard was dan de boodschappen vond hij niet erg. Hij zei: ‘Nu nog wel. Je moet het aandeel trouwens snel wegbrengen, want de bank gaat zo dicht.’ We hadden er geen erg in dat Loretta Schrijver net achter de kassa aan het inwerken was, en de rest is, zogezegd, ‘history’. In de dagen erna meldde RTL Nieuws dat een Engelse bank en een internationaal consortium de bank van Rijkman aan stukken wilden trekken. De bank gaat zo inderdaad dicht.

Lekker integreren. Met z’n allen… Rijkman en ik praatten nog wat en kwamen op ‘integratie’. Sinds kort was ‘integratie’ echt helemaal zijn ‘ding’. Hij was voornemens een grote villa te kopen met een geïntegreerd boerenbedrijf. De integratieperikelen tussen de diverse banken hadden hem op een idee gebracht. Hij dacht aan iets met veel grond, een groot huis, lokaal vee en tropische dieren. Vooral mensapen leken hem leuk. ‘Die houden echt van integreren, ook met mensen,’ Dat was natuurlijk waar. ‘Alleen jammer dat mensen onderling niet integreren.’ Hoewel ik zijn punt begreep dat er veel mis is met de manier waarop autochtonen en allochtonen zich laten samenvoegen heb ik onlangs gezien dat het ook anders kan. ‘Maar jonge Marokkanen integreren tegenwoordig veel beter,’ zei ik. ‘Ze integreren met voetballers, geheel uit eigen beweging. Geen subsidie, niks. Ze gedragen zich als Hollandse supporters, slopen alles wat los en vast zit.’ Hij kon niet anders dan me gelijk geven. Bij nader inzien had hij ook nog een voorbeeld, hij had gehoord dat één van zijn managers een zakelijk krediet van enkele tonnen had verstrekt aan een chirurg. Deze chirurg, die eigenlijk gewoon cosmetisch arts was, had zich verdiept in de integratiegeneeskunde, een nieuwe tak van sport. ‘Wat gaat ‘ie dan doen?’ vroeg ik verbaasd. ‘Nou,’ zei Rijkman, ‘er komt binnenkort een show op TV waarbij kijkers kunnen SMS-en om een nier toe te wijzen aan een ernstig zieke deelnemer van dat programma. En nu gaat deze slimmer dokter achteraf de winnaar en de verliezers aan elkaar opereren, zodat ze de nier kunnen delen. Conjoining, noemt hij het. Het idee is echt goed. Het is namelijk doorgerekend. En het past binnen de hedendaagse marktwerking. Win-win, ha ha!’ Hij moest lachen. ‘En de Inspectie dan?’ Ik kon mijn oren niet geloven. ‘Oh, die wordt geïntegreerd met de jury’s van ‘Dancing wis de Stars’ en ‘Holland’s Next Topmodel’. Dat vergroot hun herkenbaarheid en draagvlak bij het volk. Samen kunnen ze komen tot een optimaal evenwicht tussen kwaliteit en esthetiek.’ Mij werd duidelijk dat integratie geen doel op zich is, eerder een middel. Maar een van de te integreren entiteiten zal altijd meer gewicht in de schaal leggen. Veel tijd om dit goed uit te werken had ik niet, ik moest me voorbereiden op een college waarin gezondheidsrecht, healthcare governance, gezondheidseconomie en sociaal medische wetenschappen geïntegreerd zouden worden. Gelukkig mag ik daarin zelf de emulgator spelen!

Gepubliceerd in: Vox Summa, FBMG, Erasmus Universiteit Rotterdam, juni 2007

Zorgverzekeringen

Filed Under (Nederlands, Nieuws, Persoonlijk, Studie, Zorg) by Chris Pescott on 01-06-2007

‘maatschappelijk ondernemerschap: waarborg voor publieke belangen?’

Ingrijpende aanpassingen in het zorgstelsel hebben de wijze waarop de inwoners van Nederland verzekerd zijn voor de kosten die zij maken voor gezondheidszorg drastisch gewijzigd. Sinds 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet 1 van kracht, een wet die het jarenlang bestaande onderscheid tussen ziekenfonds- en particulierverzekerden opgeheven. Daarnaast is de vrijwilligheid van verzekeren van de baan. Het huidige systeem beoogt solidair te zijn naar alle inwoners en daarnaast nog steeds de randvoorwaarden, te weten toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit te waarborgen. Een belangrijke stap in de wijzigingen is de gereguleerde marktwerking. Gereguleerd, omdat een zuivere marktwerking zeer waarschijnlijk geen recht doet aan de randvoorwaarde van toegankelijkheid. En marktwerking, omdat juist dit economische principe ertoe moet leiden dat voor zorg de juiste waarde wordt betaald. De overheid heeft de afgelopen jaren meer verantwoordelijkheid gelegd bij de burger, op meerdere gebieden. Een betuttelende overheid was, zogezegd, ‘uit’. Deze basisgedachte biedt ruimte voor de volgende stelling:

Door maatschappelijk ondernemerschap toe te laten in de Nederlandse gezondheidszorg is overheidsingrijpen niet langer noodzakelijk om de publieke belangen te waarborgen.

Deze stelling lijkt eenvoudig te verwerpen. Immers, van oudsher wordt de overheid gezien als een machtige entiteit die als deel van haar functie juist tot doel heeft het behartigen van de belangen van de bevolking. Maar is die perceptie correct? Aan de hand van enkele argumenten, zowel uit de theorie als uit de praktijk, zal ik deze stelling echter onderbouwen. Hiertoe zal eerst het begrip maatschappelijk ondernemerschap worden gedefinieerd. Wanneer partijen in het zorgstelsel, waaronder verzekeraars maar ook zorgaanbieders, zowel individuele beroepsbeoefenaren als zij die in organisatorisch verband zoals verwoord in de Kwaliteitswet zorginstellingen 2 zich opstellen als maatschappelijk ondernemers, wil dat zeggen dat zij als particuliere, niet op winst gerichte organisaties, die met de hen ter beschikking staande collectieve en private middelen maatschappelijke doelen proberen te realiseren, met behulp van principes uit het bedrijfsleven, zoals innovatie, marktgericht werken en het dragen van bedrijfsrisico. 3 De term maatschappelijk ondernemerschap is er een die al ver voor de vorige kabinetten Balkenende is gebezigd. In de afgelopen jaren hebben enkele onderdelen van de definitie hun intrede gedaan in de gezondheidszorg. Zo zijn ziektekostenverzekeraars nu risicodragend, maar hebben zij wel een winstoogmerk. Het realiseren van winst zal ook in de komende jaren aan instellingen worden toegestaan. Marktwerking is ook geen nieuw begrip. Het derde compartiment, de aanvullende zorg waarvoor verzekeringen werden aangeboden door particuliere ziektekostenverzekeraars kende al die tijd marktwerking, doordat inhoud van het pakket en de tariefstelling werden bepaald door verzekeraars. Innovatie is evenmin een nieuw fenomeen. Transmuralisatie, zorgloketten, multidisciplinaire behandelteams, technologische ontwikkelingen zowel in bestaande producten als in nieuwe uitvindingen hebben hun intrede gedaan voordat de gereguleerde marktwerking formeel werd verwelkomd met de nieuwe zorgverzekeringswet.

De ‘overheid’ blijkt geen eenduidige eenheid te zijn met een eenduidige functie. 4 Dit blijkt vooral uit de nieuwe rol die de gemeentelijke overheid heeft toebedeeld gekregen in de Wet maatschappelijke ondersteuning. 5 De gemeente speelt sinds 1 januari 2007 een belangrijke rol in het administreren, organiseren en faciliteren van zorg in specifieke categorieën. In die zin vervult de overheid een welhaast privaatrechtelijke rol ten opzichte van burgers die aanspraak kunnen maken op een bepaalde voorziening of dienst. De lokale overheid draagt hierin een sterke verantwoordelijkheid, een waarop zij overigens zelf ook dient toe te zien. Daarnaast is zeker sprake van een ‘bedrijfsrisico’ daar een gemeente verantwoordelijk is voor de eigen resultaten, hoewel een gemeente niet geldt als ondernemer in de strikte zin des woords, hoewel een sluitende definitie van ‘ondernemerschap’ en ‘ondernemer’ ontbreekt. Wanneer de lokale overheid als ondernemer de taken naar behoren uitvoert, is er geen goed argument om een andere overheid op deze overheid te laten toezien, laat staan ingrijpen. Deze taak kan effectiever en efficiënter aan de autonomie van het college van Burgemeester en Wethouder worden toegevoegd. Van binnenuit kan evaluatie en aanpassing gerealiseerd worden. De Rijksoverheid hoeft alleen maar op vooraf vastgestelde tijden een managementrapportage te ontvangen.

Maatschappelijk ondernemen? Anyone? Hoewel de Nederlandse staat constitutioneel verankerde verantwoordelijkheden heeft ten aanzien van de randvoorwaarden van de gezondheidszorg, is zij niet geëquipeerd om deze verantwoordelijkheden zelfstandig waar te maken. 6 Er is een informatie asymmetrie wanneer het gaat om de inrichting van zorg, die ertoe leidt dat de overheid voor elke stap die zij zet, hetzij in wetgeving, hetzij in uitvoering (o.a. in de vorm van ZBO’s) uitgebreid moet overleggen met het maatschappelijk middenveld, waaronder brancheorganisaties, particuliere instellingen, wetenschappelijke verenigingen en (vertegenwoordigers van) beroepsgroepen. Verantwoordelijkheden worden gedecentraliseerd naar de veldpartijen. 7 Dit is nodig niet alleen om inhoudelijke kennis te vergaren, maar ook om draagvlak te bewerkstelligen. Hierin schuilt een nobel streven, namelijk betrokkenheid van bovenaf, maar er schuilt ook een gevaar. Het middenveld speelt een thuiswedstrijd wat kan betekenen dat het spel dusdanig wordt gespeeld dat de overheid niet kan beschikken over de juiste informatie om juiste beslissingen te nemen en adequaat in te grijpen. Elke interventie zal draagvlak ontberen en een regering zet hiermee haar eigen geloofwaardigheid en slagvaardigheid op het spel. Goed maatschappelijk ondernemerschap biedt een grotere garantie dat de legitimiteit van de beslissingen niet vooraf of achteraf in twijfel wordt getrokken. Decentralisatie leidt hier tot effectiviteit.

In de maalstroom van de hedendaagse politiek is men afkerig van overmatige betutteling. Dit komt voort uit de wijze waarop men tegenwoordig informatie tot zich kan nemen, er is een ruime mogelijkheid tot het bepalen van de juiste koers. Uit de praktijk blijkt veelal dat men niet overal bovenop kan en moet willen zitten. Zeker voor de overheid geldt dat. Dit leidt namelijk enerzijds tot een veel te groot, log machinebureaucratisch apparaat waarin inherent informatie verloren dreigt te gaan, anderzijds is zelfstandigheid alleen maar mogelijk wanneer de aanvankelijk benodigde houvast wordt weggenomen. Iemand weet pas dat brandnetels vervelende pijnlijke bulten geven nadat hij ze heeft getracht te plukken, een ouder weet pas of een kind kan fietsen nadat de zijwieltjes zijn verwijderd, pas bij het verdienen van een eigen salaris leert men de waarde van de euro kennen. Dit vergt een afwachtende houding met instructie en vertrouwen. Het leerproces is een effectief middel op weg naar verantwoordelijkheid en het realiseren van doelen, bovendien is dit noodzakelijk voor het doorgeven van kennis en kunde. Het publieke belang is niet gebaat bij een te stringent overheidsbeleid, de overheid kan een belangrijke functie vervullen in het ontwikkelen van plannen, daarna is het aan de betrokken partijen de randvoorwaarden op een optimale wijze te gebruiken. Wanneer de overheid hierin zou ingrijpen, wordt het publieke belang juist geschaad, het leidt tot een slaafse, afhankelijke beschaving, een statische samenleving. Ontwikkeling is een niet te onderschatten publiek belang. Toegepast op het maatschappelijk ondernemerschap geldt dat indien dit fenomeen werkt, ingrijpen niet noodzakelijk hoeft te zijn. Indien zou blijken dat met ‘collectieve en private middelen’ geen maatschappelijke doelen worden gerealiseerd, of dat het behalen van winst onverhoopt de overhand zou dreigen te krijgen, betekent dit niet dat de overheid zou moeten ingrijpen, eerder dat het concept geen bestaansrecht heeft. Er is dus zeker ruimte voor toezicht van overheidswege, maar wanneer ingrijpen noodzakelijk wordt zal maatschappelijk ondernemerschap in zijn geheel opnieuw tegen het licht gehouden moeten worden.

Een cruciale voorwaarde voor het succes van ‘niet gekortwiekt’ maatschappelijk ondernemerschap is een daadkrachtige overheid. Dit betekent een overheid die niet bang is waar nodig tanden te laten zien. Een overheid die op grond van autoriteit en erkenning kan regeren. Niet door ingrijpen, maar door de aanwezigheid en herkenbaarheid. Hiervoor is vertrouwen nodig van het volk. Een belangrijke vraag daarin is of een dergelijke overheid wel kan bestaan in ons politieke bestel met een onafwendbare coalitieregering die vaak de vastgestelde periode niet uitzit. Evenzo belangrijk is de vraag of een dergelijke regering überhaupt in staat zou zijn publieke belangen te waarborgen, al of niet in aanwezigheid van maatschappelijk ondernemerschap. Die vraag ontstijgt echter dit betoog.

Samenvattend lijkt een voor de hand liggende verwerping van de stelling toch niet zo vanzelfsprekend. Ten eerste vervullen lagere overheden zelfstandig een rol als ondernemer. Daarin kan zelfregulering een belangrijke rol spelen. Ten tweede ontbreekt het de overheden vaak aan inhoudelijke kennis over, en aan draagvlak bij het veld waarop zij moeten toezien en eventueel maatregelen treffen. Door het toezicht daar te laten plaatsvinden waar het spel wordt gespeeld kan spreken van slagvaardiger interveniëren. Ten derde is een lossere overheid in het belang van een zich ontwikkelende samenleving. Deze wordt pas zelfstandig wanneer zij zelfstandig tot wasdom kan komen. Uiteraard is een daadkrachtige overheid wel belangrijk. Dit betekent niet een overheid die keer op keer de teugels strak aantrekt, maar een die zich betrokken toont, en het vertrouwen geniet van de bevolking. Maar dat laatste is niet alleen voor een goed functionerende gezondheidszorg van belang.


1 Wet van 16 juni 2005, houdende regeling van sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking (Zorgverzekeringswet).
2 Wet van 18 januari 1996, betreffende de kwaliteit van zorginstellingen (Kwaliteitswet zorginstellingen).
3 Tom van der Grinten, Jan Kasdorp: 25 jaar sturing in de gezondheidszorg: Van verstatelijking naar ondernemerschap, SCP, Den Haag, 1999.
4 Tom van der Grinten, Jan Kasdorp: 25 jaar sturing in de gezondheidszorg: Van verstatelijking naar ondernemerschap, SCP, Den Haag, 1999. We spreken gemakshalve meestal over ‘de overheid’. Maar dat is onvoldoende als we de positie en rol van de overheid in de gezondheidszorg preciezer in beeld willen krijgen. ‘De’ overheid is immers geen eenduidige bestuurder op het terrein van de gezondheidszorg. Zij manifesteert zich in verschillende hoedanigheden (als rijk, provincie en gemeente; als politiek en ambtelijk systeem; als ‘echte’ overheid en als uitvoeringsorgaan-op-afstand) en in verschillende rollen (als ontwikkelaar en uitvoerder van beleid: als hoeder van het algemeen belang; als grote regelaar en spelverdeler; als toezichthouder; als legitieme bestraffen van ongewenst en beloner van gewenst gedrag).
5 Wet van 29 juni 2006, houdende nieuwe regels betreffende maatschappelijke ondersteuning (Wet maatschappelijke ondersteuning).
6 Putters, K. en Van der Grinten, T.E.D., Hoofdstuk 8, Schuivende verhoudingen in de besturing van de gezondheidszorg, in: Abma, T. & In ’t Veld, R. (red.), Handboek Beleidswetenschap, Amsterdam, Boom, 2001, p. 115.
7 Van der Kraan, W.G.M., Conclusie en discussie, in: Vraag naar vraagsturing, Erasmus Universiteit, Rotterdam, 2006, p. 259.
Eerder afgegevens als: Tentamenessay Zorgverzekeringen & Zorgstelsels, iBMG, Erasmus Universiteit Rotterdam, juni 2007

Passend

Filed Under (Nederlands, Nieuws, Persoonlijk, Studie, Zorg) by Chris Pescott on 26-05-2007

‘de rei non tractandi’ 1

Passende zorg… De Zorgverzekeringswet (Zvw) 2, die sinds 1 januari 2006 van kracht is, is aanleiding geweest tot meerdere discussies waarin het aanbieden van zorg aan onverzekerden centraal staat. In NRC Handelsblad verscheen vroeg na inwerkingtreding van de Zvw een artikel waarin aandacht werd besteed aan de spagaat waarin instellingen terecht komen wanneer aan niet-verzekerden zorg wordt geleverd. Het gegeven dat een zorginstelling financieel nadeel ondervindt indien betaling voor geboden zorg uitblijft, wordt als argument opgevoerd selectief te zijn in de keuze van te leveren zorg. Over het feit dat zorg hoe dan ook gegeven moet worden wanneer sprake is van de hoogste urgentie, zoals bij een hartinfarct, zijn de bestuurders van vier grote R
andstedelijke niet-academische ziekenhuizen het eens. ‘Een specialist weet of de ingreep uitstelbaar is of niet en of die kosten dus moeten worden gemaakt’ zo stelt de bestuursvoorzitter van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam. Of ‘levensbedreigend’ gelijk is aan ‘acuut levensbedreigend’ is een vraag die door de directiefunctionarissen minder eenduidig wordt beantwoord. 3 Een logische vervolgvraag die in het artikel niet expliciet aan bod komt, maar als gelijkelijk relevant mag worden beschouwd, is of het recht op zorg, dat ontleend wordt aan een minder, resp. meer ernstige aandoening, op basis van financiële toegang mag verschillen. Wanneer dat zo zou zijn, wordt ruimte gecreëerd voor een billijking van het weigeren van zorg op andere dan medisch inhoudelijke grondslagen. Dat die ruimte moet worden afgeschermd door een normatief ethisch pleidooi lijkt evident.

Meerdere vraagstukken, waaronder morele, kunnen in deze discussie worden blootgelegd. Ten eerste zal aan het onderscheid tussen ‘urgent noodzakelijke’ en ‘niet-urgent noodzakelijke’ zorg aandacht worden geschonken. Dit betreft voornamelijk een medisch inhoudelijk betoog, waarin ook het ethische beginsel wel-doen wordt aangeroerd. De definiëring van het begrip ‘onverzekerden’ komt daarna aan de orde. Ten tweede wordt bezien of het ethische beginsel van autonomie is gewaarborgd. Dit betreft een betoog in twee delen. Ten derde wordt antwoord gegeven op de vraag of het onthouden van zorg aan onverzekerden rechtvaardig is. Afgesloten wordt met een conclusie.

In de beantwoording van het eerste vraagstuk verdient het onderscheid tussen ‘urgent noodzakelijke zorg’ en ‘niet-urgent noodzakelijke zorg’ voor een ‘acuut levensbedreigende’ resp. ‘levensbedreigend’ ziektebeeld enige verheldering. Hoewel op medisch inhoudelijke gronden een onderscheid wel degelijk kan worden gemaakt, is dit belangrijk wanneer verschillende aandoeningen of verschillende patiënten met elkaar worden vergeleken. Tussen een ‘levensbedreigende’ en een ‘acuut levensbedreigende’ gezondheidstoestand kan zich een groot grijs gebied bevinden. Getuige enkele voorbeelden. Een scheurtje in een pathologische verwijding van de lichaamsslagader in de buikholte, in vaktermen bekend als acuut aneurysma aortae abdominalis, 4 leidt onbehandeld tot een snelle dood, door massaal bloedverlies in de buikholte. 5 Ernst van de gevolgen en een klein venster voor interventie maken de aandoening ‘acuut levensbedreigend’. De fase vóórdat de slagader begint te lekken, kan men classificeren als ‘levensbedreigend’. De verwijding kan aanleiding geven tot spierzwakte of buikpijn en hierdoor vroegtijdig worden onderkend. Met het verlenen van niet-urgente noodzakelijke zorg, te weten het electief plaatsen van een zgn. vaatprothese kan het gevaar op barsten worden afgewend. Het grijze gebied schuilt daarin, dat een kleine verwijding snel zou kunnen scheuren, terwijl een grote wellicht nooit tot barsten komt. De term ‘acuut levensbedreigend’ geldt uiteraard niet alleen voor aandoeningen met fors bloedverlies. Ieder specialisme kent pathologie in die categorie. Stelt u zich voor dat uw 29-jarige illegaal in Nederland verblijvende straatgenoot meent, door bijvoorbeeld een afwijkend gesternte, het luchtverkeer op de nationale luchthaven in andere banen te moeten leiden. Met gevaar voor eigen leven (en dat van anderen!) verschaft de man zich onrechtmatig toegang tot één van de landingsbanen die Schiphol rijk is. In de ochtendspits tracht hij met veel bravoure en drukke handgebaren de Boeings vlak voor de landing nog van koers te laten veranderen. De psychose waaraan de patiënt lijdt kan met recht als ‘acuut levensbedreigend’ worden bestempeld. Niemand zal zich bekommeren om de verzekeringspolis van deze man. 6 De aandoening die hieraan voorafging, een goedaardige hersentumor, had opgespoord kunnen worden toen de illegaal zich meldde bij de Spoedeisende Hulp met klachten van lichtflitsen, een verminderd gezichtsveld en episodisch flauwvallen. 7, 8 Op dat moment had niet-urgent noodzakelijke zorg erger kunnen voorkomen. Het principe van wel-doen wordt door onthouding van zorg geweld aangedaan. Men realisere zich bovendien dat vele aandoeningen vanuit de eerste situatie overgaan in de tweede en daarmee een pathologisch continuüm vormen. De zorg die daarop van toepassing is verschuift sluipend van niet-urgent noodzakelijk naar urgent noodzakelijk. Het is hier niet de inhoud van de behandeling die ter discussie staat, maar het achterwege blijven van een medische beslissing, gebaseerd op de gezondheidstoestand van de patiënt. Een onderscheid tussen verschillende categorieën van ernst is wel mogelijk. Dit onderscheid zou ten dienste moeten staan van triage, de afweging wie als eerste in chronologische volgorde zorg behoort te ontvangen. Het niet bieden van niet-urgent noodzakelijke zorg leidt slechts tot uitstel van de plicht tot de levering van zorg, die daarna urgent noodzakelijk, maar bovendien duurder en fors ingrijpender kan zijn. Dat verhoudt zich niet erg goed met het principe van wel-doen. De externe effecten van zorg is een aspect dat over het hoofd gezien dreigt te worden. Zo is de ontvanger van zorg niet de enige belanghebbende. Men denke bijvoorbeeld aan een patiënt met tuberculose. Wanneer de argumentatie ten gunste van urgent noodzakelijke zorg voor acuut levensbedreigende aandoeningen wordt voortgezet, ontvangt een onverzekerde tuberculosepatiënt geen zorg. Tuberculose is weliswaar een dodelijke aandoening, maar niet direct. De gevaren voor de volksgezondheid zijn echter zo, dat adequate zorg voor deze niet acuut levensbedreigende aandoening is geïndiceerd. De tuberculoselijder wordt zorg onthouden, waarmee ook het wel-doen aan anderen achterwege blijft, de naaste omgeving wordt daarmee geschaad. De gedachte dat men door een tweedeling te maken in noodzakelijke zorg een economische doelstelling kan realiseren vormt daarmee weinig meer dan een kortstondige bevrediging. Een afbakening tussen ‘levensbedreigend’ en ‘acuut levensbedreigend’ is in dat opzicht niet alleen kunstmatig, maar ook volstrekt irrelevant. Praktisch bezien kan het onderscheid bij een individuele zorgbehoeftige verworpen worden, maar betekent dit dat een dergelijk onderscheid ook onrechtvaardig is? Die vraag zal ik trachten te beantwoorden nadat eerst een volgend element in deze redevoering is verduidelijkt.

Vervolgens is het zinvol onderscheid te maken tussen ‘verzekerden’ en ‘onverzekerden’. De term verzekering draagt elementen in zich van garanties, van aanspraken en bovendien van grondrechten. Daarnaast bevat het onderdelen van overeenkomsten, contracten en afspraken. Een zuivere definiëring van ‘verzekering’ is daarom aan de orde. Dat het hierin niet louter gaat om semantiek moge duidelijk worden uit het volgende. Grofweg kan een onderscheid worden gemaakt tussen twee overlappende entiteiten. Enerzijds kan men ‘verzekerd zijn’ van zorg van rechtswege, onder meer op basis van meerdere internationale verdragsteksten, het subjectieve recht te ontlenen aan de Grondwet 9 en de aanspraken voortvloeiend uit de AWBZ. Anderzijds kan men ‘verzekerd zijn’ op basis van een civielrechtelijke overeenkomst met een zorgverzekeraar. Inhoudelijk bestaat een verschil tussen deze vormen van‘verzekerd zijn’. Een ‘recht op zorg’ is niet gelijk aan ‘het hebben van een zorgverzekeringspolis’. In dit betoog wordt met ‘onverzekerden’ bedoeld al diegenen die overeenkomstig wettelijke criteria geen contract hebben met een zorgverzekeraar. Deze groep is, ondanks de verzekeringsplicht, niet verwaarloosbaar, in 2006 gaat het om 241.000 12 personen uit de gemeentelijke basisadministratie. 13, 14

Het tweede morele vraagstuk betreft de autonomie, zowel die van de patiënt als die van de hulpverlener. De klassieke definitie van autonomie is die van Kant: het vermogen om jezelf de wet voor te schrijven. Hierin schuilt een onmisbare voorwaarde, te weten vrijheid. Dat suggereert dat patiënt noch hulpverlener volledig autonoom kan zijn wanneer sprake is van inperking van die vrijheid door wet- en regelgeving. 15 Daartegenover staan echter theorieën die ervan uitgaan dat juist de beslissing bepaalde regelgeving als legitiem te beschouwen en zich in hun handelen daarnaar te voegen, de ware autonomie kenmerkt. 16 Dat de autonomie van de patiënt binnen deze inperking bescherming verdient, is door de wetgever bevestigd en geregeld in de WGBO. 17 Zo is de patiënt vrij een hulpverlener te kiezen, die slechts op gewichtige gronden en na een reeks zorgvuldigheidseisen deze overeenkomst kan opzeggen. 18 Voor het uitvoeren van verrichtingen is toestemming vereist,019 wat de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam benadrukt. 20 De betrokkenheid van de patiënt bij de inhoud en keuzen in de behandeling is eveneens een duidelijke vorm van de autonomie die de patiënt in het privaatrecht geniet. Voor de patiënt geldt weliswaar een betalingsplicht, maar de WGBO bemoeit zich niet het voorzien in een invulling van die plicht. Illegalen die in ons land verblijven, zien zich nu geconfronteerd met een extra probleem. Zelfs wanneer zij zich zouden willen verzekeren, ontbreekt voor hen de mogelijkheid. Art. 2 Zvw verwijst in de definitie van verzekeringsplichtigen naar een andere wet, de AWBZ. Hieruit vloeit voort dat ‘[…] vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf genieten […] niet verzekerd […]’ zijn. 21 Een belangrijke inperking van de autonomie bestaat wanneer de illegale niet-ingezetene deze status niet vrijelijk kiest. Naast vrijheid wordt autonomie eveneens gekenmerkt door competentie. Competentie is een ‘glijdend’ of ‘grijs’ begrip. Dat wil zeggen dat iemand die competent is een bepaalde taak te vervullen, niet persé competent is voor het uitvoeren van een andere. Een volwassene wordt in de regel beschouwd als competent, ofwel wilsbekwaam. Wilsbekwaamheid wordt niet beoordeeld op de uitkomst van een beslissing. Iemand kan volledig wilsbekwaam zijn, maar toch een bepaalde behandeling in een ziekteproces afwijzen. Hoewel een hulpverlener een andere keus voorstelt, of zelf een andere keuze zou maken, maakt dit een patiënt niet per definitie wilsonbekwaam. Hierin schuilt een mogelijk gevaar. Wanneer een hulpbehoevende patiënt zich, op grond van het feit dat hij de gevolgen van niet-verzekeren niet onderkent, meldt voor geneeskundige hulp bij een ziekenhuis, is het onjuist te veronderstellen dat bij deze onverzekerde hulpbehoevende ook sprake is van een in volledige competentie genomen beslissing zich niet tegen ziektekosten te verzekeren. De vraag resteert of deze patiënt autonoom is wanneer hij incompetent is tot het vervullen van de taak zich te laten verzekeren. Dat laat onverlet dat hij alsnog vrij is om zorg te zoeken, die autonomie is niet aangedaan.

Over de autonomie van geregistreerde beroepsbeoefenaren in de Wet BIG is de laatste jaren veel gepubliceerd. Onlangs verscheen een manifest met daarin het standpunt van ’s lands grootste en meest vooraanstaande beroepsfederatie inzake de medisch professionele autonomie. 22 De huidige stand van zaken met betrekking tot de autonomie van hulpverleners is er een van ‘vrijheid in gebondenheid’ 23 en speelt zich af binnen de transformatie van prijsregulering naar gereguleerde marktwerking. De opvatting van de medicus over wat de beste zorg is, is niet meer automatisch de leidende opvatting. Artsen ervaren dit als een inperking in hun professionele autonomie. 24 In het belang van de patiënt en diens gezondheidstoestand is een deskundig oordeel, waarvoor ruimte dient te bestaan. Hoewel de professionele autonomie eens door de vorige minister van VWS als achterhaald is bestempeld, 25 vormt deze de basis van het vertrouwen van de samenleving en patiënten in artsen. Dit is in het belang van de samenleving, onafhankelijk van veranderende omstandigheden. 26 Vrije oordeelsvorming is daarin een cruciaal element. Zonder deze vrijheid lopen zowel de individuele als de gemeenschappelijke gezondheid een groot risico. De medisch professionele autonomie kan als volgt worden samengevat: ‘De vrijheid van oordeelsvorming van de arts om, gegeven de wettelijke kaders en de professionele standaard, 27 zonder inmenging van derden, in de individuele arts-patiëntrelatie te komen tot diagnosestelling en advisering over behandeling en/of het verrichten van diagnostische en therapeutische interventies, waarbij inbegrepen het onderzoeken en het geven van raad met als doel de bescherming en/of verbetering van de gezondheidstoestand van de patiënt.’ 28 Door de toenmalige minister werd gesteld dat luchtvaartingenieurs en piloten zich in hun handelen niet beroepen op een eigen autonomie. Deze stelling laat zich echter eenvoudig weerleggen. Hoewel een piloot in de praktijk wel degelijk een beroep doet op zijn autonomie wanneer belang en veiligheid van passagiers in het geding zijn, bijvoorbeeld door een ongeautoriseerde afwijking van het vluchtplan uit te voeren wanneer op de route een vulkaan tot uitbarsting komt, gelden voor de luchtvaart inderdaad andere regels dan voor de gezondheidszorg. Luchtverkeer wordt dan ook niet gezien als een intrinsiek goed, maar als een luxe goed. Dat rechtvaardigt een andere benadering. Daar waar het overtreden van richtlijnen en regels in andere sectoren strafbaar kan worden gesteld in andere sectoren, is het welbewust niet afwijken van een geneeskundig behandelingsprotocol wanneer daartoe aanleiding is, juist strafbaar. Sterker nog, de professionele autonomie van artsen strekt juist tot verbetering van zorg, een onderscheid in benadering en een concurrerende positie op de zorgmarkt. De individuele zorgbehoefte staat daarin voorop. In dit opzicht geldt ook Marx’ gevleugelde uitspraak ‘From each according to his abilities, to each according to his needs!’, 29 een uitspraak die overigens betrekking had op arbeid, goederen en maatschappelijke welvaart. Twee partijen in de zorg zijn in staat onafhankelijk van elkaar de ‘needs’ te beoordelen. De patiënt, op grond van subjectieve klachten ten aanzien van de gezondheidsstatus, en de arts, op grond van aan kennis en ervaring ontleende oordeelsbekwaamheid en aan civielrechtelijke status ontleende oordeelsbevoegdheid. De WGBO zwijgt over de inhoud van te leveren zorg en de wijze waarop deze wordt geleverd. Ten aanzien van de handelwijze wordt in Art. 453 gesteld dat ‘de hulpverlener […] bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht [moet] nemen en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard’. 30 De ‘professionele standaard’ wordt nergens geëxpliciteerd, doch is onderhevig aan de dagelijkse stroom van nieuwe ontwikkelingen, wijzigende medische en technologische inzichten en een altijd veranderende samenstelling van de patiëntenpopulatie. Een rode draad kan worden gezien in het palet van taken en verantwoordelijkheden van artsen, namelijk dat het primair de verantwoordelijkheid is van iedere arts om op grond van zorginhoudelijke deskundigheid en – argumentatie ‘alarm’ te slaan, wanneer de wettelijke kaders of het instellingsbeleid verantwoorde medische zorg onmogelijk maken. Geen andere partij dan de beroepsbeoefenaar bezit hiervoor de noodzakelijke ‘skills’ en ‘tools’. Dat vergt dus een grote mate van autonomie, autonomie die in het geding komt zodra aan anderen de beslissing tot behandeling wordt overgelaten.

De Kwaliteitswet zorginstellingen stelt dat zorgprofessionals en instellingen zelf primair verantwoordelijk zijn voor het leveren van verantwoorde zorg. 31 Een instellingsbestuurder, zelfs als deze niet zelfstandig (be)handelt, is daaraan gehouden. In het faciliteren van zorg schuilt dus een sterke zorginhoudelijke component. Dat staat op gespannen voet met het simpelweg op financiële, bestuurlijke of organisatorische gronden afwijzen van een zorgvraag. 32 Wanneer een beslissing wordt genomen géén zorg te verstrekken, wordt deze genomen door degene, die niet zelf die zorg behoeft te genieten. Anders gezegd, het niet geven van zorg aan een ander, het voorschrijven van de wet aan de ander, is een voorbeeld van heteronomie. Wanneer aan de poort gevraagde zorg wordt afgewezen, wordt dan ook afbreuk gedaan aan de autonomie. Terwijl de patiënt volledig wilsbekwaam kan zijn in het zoeken van zorg bij vermeende ziekte, kan een, niet op medische gronden berustende, beslissing tot niet-behandelen daarnaast ook schadelijk zijn. 33 Het principe van niet-schaden zal bewust niet nader worden uitgewerkt. 34

Na de beoordeling van de integriteit van de autonomie zal het derde morele vraagstuk, de rechtvaardigheid van het niet-behandelen van onverzekerden onder de loep worden genomen. De rechtvaardigheid kan grofweg bezien worden vanuit drie posities. De deontologische, of Kantiaanse. 35 benadering gaat uit van generaliseerbaarheid van het handelen, het toepassen van een algemene regel die voor dát specifieke handelen geldt. Om te bepalen of die verplichting bestaat moet worden gezocht binnen de rede, niet in wetgeving, traditie, gevoel, emotie of geschiedenis. Alleen in de rede huist de ware verplichting, nergens anders. Wanneer een zorgbehoevende zorg ontvangt, dient dit te gebeuren omdat dit intrinsiek moreel juist is. De universele regel bepaalt dan de morele juistheid, waarbij Kant stelt dat ieder mens de capaciteiten bezit deze afwegingen te maken. Het behandelen dient daarom te geschieden omwille van de morele juistheid of plicht, niet alleen in overeenstemming daarmee. De eigen beslissing hieraan gevolg te geven, de maxime, vormt de categorische imperatief wanneer deze beslissing tot een algemene wet kan worden verheven. Hiervan maakt de uitkomst, de consequentie, geen deel uit, in tegenstelling tot het utilisme. De uitkomst, waaronder langer leven, minder pijn of een functioneler lichaam, speelt geen rol. Deze is per definitie goed omdat de intentie goed is. Een goed resultaat, waarnaar in de gezondheidszorg kan worden gestreefd, de a posteriori ervaring, maakt de mens afhankelijk. Immers, de uitkomst is leidend aan de beslissing. Die afhankelijkheid ontneemt de mens zijn autonomie. Wil hij als redelijk denkend wezen het moreel juiste nastreven, dan moet hij autonoom zijn. Dit betekent ook, dat indien er geen generaliseerbare morele verplichting is aan onverzekerden zorg te leveren, er ook geen sprake kan zijn van onrechtvaardigheid wanneer dit achterwege blijft. Er zou in dat geval geen sprake zijn van een categorische imperatief. De vraag of het niet-behandelen van een onverzekerde moreel onjuist is, is hiermee echter nog niet beantwoord. In overeenstemming met dit gedachtegoed kan men echter stellen dat het niet-behandelen onrechtvaardig is, omdat niet beoordeeld wordt de intentie van de behandeling, maar het gebrek aan verzekering en daarmee de middelen die nodig zijn om zorg te leveren. Het ‘maximin’ principe gaat uit van het best haalbare voor de minstbedeelden. 36 Wanneer daaraan wordt voldaan, is sprake van Rawlsiaanse rechtvaardigheid. Dat de wens zorg te kunnen ontvangen universeel is, onderstreept Rawls door te stellen dat ook een nu verzekerde zorg zou willen ontvangen in het geval hij onverzekerd zou zijn. Rechtvaardige beslissingen worden het best genomen achter een sluier van onwetendheid. 37

Het utilisme, de consequentieleer, gaat niet uit van de intrinsieke juistheid van een morele verplichting, maar beoordeelt het handelen zuiver in termen van positieve en negatieve waarde, ofwel winst en verlies. Er wordt een rekensom, een balans gemaakt van de resultaten van een handeling. In de regel geldt dat preventie leidt tot gezondheidswinst, maar niet tot een daling in kosten van gezondheidszorg. 38 Therapie die als doel heeft verergering van een ziekteproces te voorkomen is ook preventie, namelijk secundaire preventie. Op de korte termijn zou wellicht gelden dat een initiële behandeling goedkoper is dan deze uit te stellen. Vooral in het geval van externe effecten kan dat gelden. De kosten van behandeling van tien lijders aan tuberculose zijn hoger dan de kosten voor één. Voor de maatschappij levert de behandeling dus winst op. In ieder geval financieel. Maar het utilisme benadert de winst- en verliesrekening niet alleen in euro’s. Onder winst wordt verstaan alle goedheid, geluk, genot en in zekere mate, ook gezondheid. ‘Geluk’ is een soevereine eenheid, met als tegenhanger ‘pijn’. Bij de afweging al dan niet zorg te leveren aan hen die onverzekerd zijn, dient men dus te beseffen dat het gaat om alle geluk versus alle pijn. Zowel op korte als op lange termijn. Hier ontstaat een probleem. Hoe kunnen de kwalitatieve aspecten geluk en pijn worden gekwantificeerd, dus doorgerekend? Als dat niet mogelijk blijkt, kan geen standpunt over rechtvaardigheid worden geformuleerd. In het utilisme wordt bij beslissingen dát alternatief gekozen, dat leidt tot het meeste ‘geluk’. 39 Consequentialistisch geldt dat een onrechtvaardige handeling kan worden geaccepteerd indien het bijdraagt aan het grotere goed. Moord is rechtvaardig, wanneer het slachtoffer zelf bezig was meerdere moorden te plegen. Hieruit kan het onthouden van zorg aan onverzekerden is rechtvaardig als hiermee de volksgezondheid in het algemeen wordt gediend. Wanneer de betaalbaarheid van het zorgstelsel een groter ‘geluk’ vormt dan de ‘pijn’ van het niet-behandelen van onverzekerden, is dat laatste rechtvaardig. Niet verwonderlijk is het dat dat laatste kan rekenen op forse kritiek, zelfs vanuit utilistische gelederen. Mill, zelf een utilist, stelt hier tegenover dat sociale en verdelende rechtvaardigheid juist onderdeel uitmaken van het utilisme, of van het principe van het grootste geluk van het grootste aantal. Sociale en verdelende rechtvaardigheid zijn dan een optimale uitkomst, wat stoelt op het ethos van het utilisme. 40 Hoewel cumulatieve ‘pijn’ of wreedheid kan leiden tot netto meer ‘geluk’, is deze accumulatie opgebouwd uit individuele bouwstenen, die los van elkaar meer ‘pijn’ bezorgen. Zo wordt rechtvaardig schadelijk handelen teruggebracht tot onrechtvaardige schadelijke elementen. Deze notie van onrechtvaardigheid is aanmerkelijk zwakker dan de deontologische. Ook in het utilisme wordt de onthouding van zorg als onrechtvaardig beoordeeld. Het heeft er alle schijn van dat een redenering die leidt tot een moreel onacceptabele uitkomst, geen juiste redenering is. Het utilisme wordt in dat geval een zelfreflecterende, zelfcorrigerende gedachtestroming.

Alles bezien blijken meerdere morele principes in het geding. Het principe van wel-doen wordt geweld aangedaan wanneer ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen acuut noodzakelijke en noodzakelijke zorg. Een beslissing tot niet-behandelen van onverzekerden voor noodzakelijke zorg staat bovendien op gespannen voet met de autonomie, zowel die van de zorgbehoevende als van de zorgverlener. Daarnaast is het in ieder geval uit deontologisch oogpunt onrechtvaardig, en laat het utilisme ruimte voor ambivalentie. Samenvattend kan geconcludeerd worden dat het moreel verwerpelijk is onverzekerden zorg te onthouden. Een conclusie die ik volledig onderschrijf.


1 Afbeelding voorpagina: Bewerking, oorspronkelijk uit: William Cheselden, ‘Osteographia, or The anatomy of the bones’, London, 1733. Spreuk: Latijn, vertaling: ‘Betreffende de kwestie van het niet-behandelen’.
2 Wet van 16 juni 2005, houdende regeling van sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking (Zorgverzekeringswet).
3 ‘Ziekenhuizen moeten hard zijn’, in: NRC Handelsblad, 14 januari 2006.
4 De gebruikelijke notatie voor deze aandoening is ‘AAAA’. In de meeste gevallen is hierbij sprake van verregaande atherosclerose (aderverkalking). In de literatuur wordt daarom voor deze ernstige aandoening regelmatig de term ‘5 maal A’ gehanteerd.
5 Zie o.a. L.A. Prince, G.A. Johnson, ‘Aortic Dissection and Aneurysms’, in: Judith E. Tintinalli, Gabor D. Kelen, J. Stephan Stapczynski (editors), Emergency Medicine: A Comprehensive Study Guide, The McGraw-Hill Companies, Inc., 2004 (sixth edition), p. 404-409.
6 Hoewel voorstelbaar, is deze casus niet ontleend aan mijn eigen ervaringen als hulpverlener op een Spoedeisende Hulp afdeling.
7 Zie o.a. J.J. Heimans, ‘Tumoren en het zenuwstelsel’, in: dr. A. Hijdra, prof. dr. P.J. Koudstaal en prof. dr. R.A.C. Roos (red.), Neurologie, Elsevier/Bunge, Maarssen, 1998 (tweede, herziene druk), p. 299-320.
8 Zie o.a. William D. Willis, Jr, ‘The Nervous System’, in: Robert M. Berne, Matthew N. Levy (editors), Physiology, Mosby-Year Book, Inc., 1993 (third edition), p. 121-166.
9 Art. 22, Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden van 24 augustus 1815 (Grondwet).
10 Wet van 14 december 1967, houdende algemene verzekering bijzonder ziektekosten (AWBZ).
11 In overeenstemming met de criteria uit de Zvw die onderscheid aanbrengen tussen wie zich wel of niet dienen aan te melden bij een zorgverzekeraar.
12 ‘Bijna kwart miljoen zonder zorgpolis’, in: NRC Handelsblad, 3 mei 2007.
13 Door het CBS zijn in deze berekening onverzekerden onder illegalen, grensarbeiders woonachtig in het buitenland en personen die tijdelijk niet verzekerd waren, niet meegerekend. De hoofdregel dat van rijkswege verzekerden voor de AWBZ verzekeringsplichtig zijn voor de Zvw geldt niet voor specifieke groepen militairen die daarom buiten de berekening vallen en bovendien is de geregistreerde groep van ongeveer 10.000 gewetensbezwaarden daarnaast in het aantal niet opgenomen.
14 Het aantal onverzekerden tegen ziektekosten 2006 nieuwe methode. Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/ Heerlen, 2007.
15 Robert Paul Wolff: Defense of Anarchism, Harper and Row, New York, 1970, p.4-6.
16 Tom L. Beauchamp, James F. Childress: Principles of Biomedical Ethics, Oxford University Press, 2001 (fifth edition), p. 76.
17 Wet van 17 november 1994, tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met opneming van bepalingen omtrent de overeenkomst tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst).
18 Art. 460 BW Boek 7.
19 Art. 450 BW Boek 7.
20 Art. 11, Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden van 24 augustus 1815 (Grondwet).
21 Wet van 14 december 1967, houdende algemene verzekering bijzonder ziektekosten (AWBZ).
22 KNMG Manifest Medische professionaliteit, Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst, Utrecht, april 2007.
23 ‘Professioneel kiezen; Rapport Commissie Medisch Ethiek’, in: Medisch Contact, 1992;3, p. 87-96.
24 KNMG Manifest Medische professionaliteit, Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst, Utrecht, april 2007, p. 4.
25 H. Hoogervorst: ‘Autonomie van artsen is een achterhaald begrip, in: NRC Handelsblad,16 december 2005.
26 KNMG Manifest Medische professionaliteit, Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst, Utrecht, april 2007, p. 10.
27 Wat wordt verstaan onder de professionele standaard is nader uitgewerkt in o.a. het Kwaliteitsmanifest KNMG, Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst, Utrecht, september 2003, p. 13.
28 KNMG Manifest Medische professionaliteit, Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst, Utrecht, april 2007, p. 10.
29 Karl Marx, Friedrich Engels: The Communist Manifesto, vertaald door Samuel Moore, Penguin Books Ltd., London, 1967.
30 Wet van 17 november 1994, tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met opneming van bepalingen omtrent de overeenkomst tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst).
31 Wet van 18 januari 1996, betreffende de kwaliteit van zorginstellingen (Kwaliteitswet zorginstellingen).
32 ‘Klink wil zorgtoeslag wanbetalers inhouden’, in: Elsevier, 23 mei 2007. Het meest recente plan om via een indirecte route toch tot financiering te komen van zorg aan onverzekerden, is een geheel andere benadering dan het onthouden van zorg. Deze beslissing ligt duidelijk in de lijn van de WGBO, waarin de patiënt de plicht heeft voor zorg te betalen. De WGBO zwijgt over de wijze waarop deze betaling dient plaats te vinden.
33 ‘Tien geboden voor een goede zorg’, in: NRC Handelsblad, 31 januari 2006. ‘Primum non nocere: voor alles, geen schade doen’. Herre Kingma hanteerde de tien geboden in zijn afscheidsrede als inspecteur-generaal bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg, getiteld ‘Inspecteur-generaal tussen staat, veld en volk’. Wijselijk koos hij in zijn rijtje voor de ‘10 geboden’ en bewust niet voor een rangorde. Dat het principe van niet-schaden op Kingma’s eerste plaats staat, kan echter met zijn medische achtergrond niet op toeval berusten. Bijzonder is in dat licht het feit dat als zevende staat genoemd: ‘’Wees open en eerlijk’, een deontologisch gebod.
34 Ik ben een voorstander van de autonomie die een auteur genieten zelf het benodigde aantal woorden te laten bepalen. Gezien de afhankelijkheid die in deze op de auteur rust, zal hij echter vrijelijk de woordenbeperking accepteren.
35 Tom L. Beauchamp, James F. Childress: Principles of Biomedical Ethics, Oxford University Press, 2001 (fifth edition), p. 348-349.
36 John Rawls: A Theory of Justice, Oxford University Press, 1999 (revised edition), p. 73.
37 John Rawls: A Theory of Justice, Oxford University Press, 1999 (revised edition), p. 11. De ‘sluier van onwetendheid’ is een vertaling van ‘veil of ignorance uit deze passage: ‘Among the essential features of this situation is that no one knows his place in society, his class position or social status, nor does anyone know his fortune in the distribution of natural assets and abilities, his intelligence, strength, and the like. I shall even assume that the parties do not know their conceptions of the good or their special psychological propensities. The principles of justice are chosen behind a veil of ignorance. This ensures that no one is advantaged or disadvantaged in the choice of principles by the outcome of natural chance or the contingency of social circumstances.’
38 ‘Gezonde mensen, dure patiënten’, in: NRC Handelsblad, 15 maart 2007.
39 Een uitspraak van Jeremy Bentham, uit A Fragment on Government (1776), die overigens regelmatig aan John Stuart Mill wordt toegeschreven: ‘…it is the greatest happiness of the greatest number that is the measure of right and wrong….’.
40 John Stuart Mill, in: On Liberty, Longman, Roberts & Green, London, 1869 (fourth edition). In zijn werk argumenteert John Stuart Mill dat een burger die leeft volgens de grondregelen van het utilisme nooit een ander nooit pijn zou kunnen toewensen ten behoeve van zijn eigen geluk.

Eerder afgegevens als: Tentamenessay Passende Zorg, iBMG, Erasmus Universiteit Rotterdam, mei 2007

APK

Filed Under (Nederlands, Nieuws, Persoonlijk, Zorg) by Chris Pescott on 21-05-2007

Het wordt hoe langer hoe hardnekkiger. De gedachte dat je door een periodieke screening alle gezondheidsproblemen kunt voor zijn is een drogrede. Het zou de gezondheidszorg in zijn geheel zelfs goedkoper maken wanneer men een preventieve screening heeft ondergaan. Vanochtend is op de radio helaas weer positief gesproken over deze mogelijkheid. Hoewel ik een fervent luisteraar ben van ‘Evers staat op’, de ochtendshow op Radio 538, wordt me wel steeds meer duidelijk dat zij zich laten leiden door de waan van de dag. Natuurlijk kun je het erover hebben, maar iemand met een beetje kennis van zaken zal dit plan tot op de grond toe afbranden, een beetje zoals met de Cutty Sark in Greenwich (London, UK) vandaag gebeurde. Een standpunt tegen de gekte is hard nodig. Waar zijn de kritische radiomakers gebleven, waar zijn de critici überhaupt gebleven? De hedendaagse Nederlandse samenleving verwordt helaas tot een eenheidsworst van middelmatige intelligentie en abberante gedachtenstromen. Inderdaad, niet meer boven het maaiveld uit. Niet omdat het niet mag, simpelweg omdat men dat niet wil. Toch jammer.

De nieuwe APK-testmachine is hier! Enkele weken geleden werd mij de vraag gesteld of ik eens wilde kijken naar enkele websites van instituten die o.a. in Duitsland prventieve ‘bodychecks’ per CT of MRI uitvoeren. Dit om een medisch advies te geven aan een familielid van een kennis, die graag wilde weten waar zij op lichamelijk gebied aan toe was. Hoewel ik de achtergrond van de vraag volledig begrijp en haar ‘wens tot screenen’ goed kan volgen is er aan het proces van prventief screenen inherent iets mis. Ik hoop dan ook dat deze praktijk in Nederland nooit toepassing vindt. Onderstaand mijn argumentatie ten aanzien van de screeningspraktijken van twee Duitse klinieken, een argumentatie die ik nog steeds onderschrijf.

Om te voorkomen dat de lezer in het ongewisse valle: Het gaat om preventieve scans aangeboden door twee bedrijven, PreScan en PrivateScan. Beide claimen van alles.

Ik heb even naar die sites gekeken, heb daar wel wat opmerkingen bij, maar allereerst een stukje over het mechanisme van tests en hun uitslagen.

Natuurlijk, een toevalsbevinding kun je altijd treffen, dat kan goed uitpakken, maar ook slecht. Ten eerste is het bij tests zo dat ze nooit 100% conclusief zijn. Dat betekent dat een uitslag nagatief kan zijn, terwijl er wel ziekte aanwezig is. Deze wordt dan gewoon niet ontdekt. In dat geval heeft de test niets uitgewezen waar dat wel zou hebben gemoeten, en heeft het alleen maar geld gekost. Indien de afwijking wel zou zijn gevonden (op basis van die test), had wellicht behandeling kunnen plaatsvinden, die blijft in dit geval uit.

Verder kan een test een afwijking aantonen die later blijkt te berusten op een artefact, een technische afwijking in de test. Hierdoor belast je mensen onnodig, ze moeten een enorme moilen van vervolgonderzoeken door, dit uiteraard wel op kosten van een verzekeraar, die naderhand allerlei polisbeperkingen kan opleggen (koopsom, hypotheek, levensverzekering) op basis van een onterecht positieve uitslag. Vergeet bovendien niet de fysieke belasting van de vervolgonderzoeken, die zijn vaak invasief (prikken, biopten), maar achteraf onnodig EN wel gepaard met complicaties. Er zijn gevallen bekend waarbij iemand is doodgebloed na een leverbiopt toen een afwijking was gezien op een echo die uiteindelijk bij een andere patiënt hoorde. Toch bitter.

Kortom, de test alleen al biedt onvoldoende zekerheid.

In het geval dat de test terecht positief is, betekent dit niet dat aan de aandoening iets kan worden gedaan. In dat geval wordt iemand opgezadeld met een diagnose die in het andere geval pas vlak voor overlijden zou zijn gesteld. Oftewel, de kwaliteit van leven wordt aangetast door de toevalsbevinding. Je zult bijvoorbeeld maar horen dat je een inoperabel arterioveneuze malformatie (AVM) in het hoofd hebt. Dat is een vaatafwijking die spontaan KAN barsten. Het is niet altijd te behandelen zonder bepaalde hersendelen die van zuurstof afhankelijk zijn te beschadigen. Juist het feit dat de aandoening makkelijk een heel leven onopgemerkt zou kunnen blijven maakt het lastig. Iemand kan spontaan overlijden aan een gebarsten AVM op 80 jarige leeftijd, of iemand kan 30 jaar stress hebben omdat het zou kunnen gebeuren, en als gevolg hiervan gedurende al die tijd onder medische behandeling moeten zijn.

Verder geldt bij tests dat een test vaak pas iets kan zeggen als er een klinisch verhaal is. Een radioloog heeft echt klinische gegevens nodig om te weten waarnaar hij zoekt. Zo worden MRI’s, CT’s en PETscans vaak uitgevoerd om iets aan te tonen (waar al verdenking op bestaat) of juist uit te sluiten. Iemand kan pijn op de borst hebben, suggestief voor een longembolie (bloedprop in een bloedvat naar de long), een scan kan dat of aantonen, of uitsluiten. Daarnaast is er een heel groot grijs gebied waarin het beide NIET kan. Je gaat dan af op de anamnese (gesprek), lichamelijk onderzoek en andere gegevens, en beslist op basis van de kliniek, het geheel. Dat kan nu niet. Stel je het volgende voor. Je weet dat je ergens in huis batterijen hebt liggen voor je wekker. Als je ze gaat zoeken, en je komt op de plek waar ze liggen, dan vind je ze. Het zal gebeuren dat je langs een plek loopt waar batterijen liggen, maar op het moment dat je ze NIET nodig had, vallen ze ook niet op, behalve als ze ergens liggen waar ze normaal NOOIT liggen. Zoals in de douchebak. Maar die kans is niet zo groot. War het om gaat is dat de menselijke geest dusdanig in elkaar zit dat informatie die niet cruciaal is voor het moment, wordt weg gefilterd, ten gunste van wat wél cruciaal is. Het is bijna onmogelijk om iets te vinden wanneer je niet weet wat je precies zoekt. En er zijn zoveel biologische variaties, en verschillende soorten afwijkingen, dat het vinden van een afwijking niet kan berusten op enkel een aanvullend beeldvormend onderzoek. Het zal moeten berusten op het diagnosticeren van datgene wat echt duidelijk in het oog springt. En dat is maar weinig.

Ook hebben de apparaten dusdanig veel instellingen (manieren om naar weefsels en organen te kijken) dat het een enorme hoeveelheid informatie genereert, waarmee je niet alrijd iets kunt. Vaker niet dan wel. In dat geval geeft het een schijnzekerheid. Maar wel een dure schijn.

En inderdaad, soms heb je mazzel. Maar de imperatief van de technologie (een MRI is technisch mogelijk, dus we moeten hem ook gebruiken) gaat voor mij in het kader van preventief screenen niet op. Je koopt namelijk meer vragen dan antwoorden…

Een stukje van de website van PreScan waarbij ik me wel kan aansluiten:

Mocht u niet geheel zeker zijn over uw gezondheid of heeft u reeds klachten die niet serieus genomen worden, dan kunnen deze onderzoeken voor u mogelijk een oplossing bieden.

Preventief onderzoek is altijd een momentopname en geeft enkel de gezondheidstoestand op het moment van onderzoeken weer. Wij raden u aan met enige regelmaat een preventief medisch onderzoek uit te laten voeren en daarnaast alert te blijven op gezondheidsklachten.

Indien er KLACHTEN bestaan. Dat is het belangrijkste.

Privatescan verkoopt zelfs dit:

Plotseling geconfronteerd worden met een hartinfarct of een andere ernstige aandoening hoeft in principe dus niet meer. Door de modernste medische apparatuur is het tegenwoordig mogelijk om bijvoorbeeld een hartaanval al acht tot tien jaar, voordat deze gaat plaats vinden, te voorspellen.

Of deze, ook interessant en ongeloofwaardig:

Met een MRI scan kunt u vroegtijdig aandoeningen signaleren, zodat een eenvoudige en niet belastende behandeling nog tot de mogelijkheden behoort. Een beroerte of hersenbloeding komt vaak als donderslag bij heldere hemel, omdat mensen vooraf geen enkele vermindering van hun conditie hebben ervaren. Met dit onderzoek kunnen deze aandoeningen jaren voordat ze plaatsvinden al ontdekt worden. Zo voorkomt u dankzij preventief onderzoek op latere leeftijd onherstelbare klachten.

Ik weet niet wat ik daar mee moet. Als je het voorspelt, gebeurt het dan niet? Dan is het een onjuiste voorspelling. En deze slachtoffers blijven niet eeuwig leven. Want zelfs met een verandering van levensstijl, een bypass-operatie, een Dotter-ingreep, ze gaan toch ergens aan dood. En dat was dan weer niet voorspeld. Als de preventieve ingreep al niet fataal is. Overigens ontbreekt overal een verwijzing naar relevante medische literatuur om hun claims te onderbouwen.

Nog wat dingen van PrivateScan:

Op de volgende aandoeningen wordt u gescreend:
§ Atrofie. Afname van hersenweefsel. (dit is onbehandelbaar, dus een zinloos onderzoek)
§ Aneurysma. Uitstulping van de slagader. (kan effectief zijn wanneer je alle slagaders kunt beoordelen en kunt behandelen)
§ Tumoren. Goed- en kwaadaardige. (aan de buitenkant zijn die echt niet zomaar te onderscheiden. Bovendien: behandelbaar?)
§ Basale kernen. Zenuwknopen in het onderste deel van de hersenen. (Afwijkingen zijn onbehandelbaar, dus onderzoek is zinloos)
§ Hersenaandoeningen. Hersenbeschadigingen, abcessen, hersentumoren, dementie. (Alzheimer is niet te diagnosticeren, dat is een diagnose die pas bij biopsie wordt gesteld. Onwaar.)
§ Metabolische aandoeningen. Stofwisselingsaandoening. (Deze zijn biochemisch van aard, niet anatomisch waarneembaar. Onwaar.)
§ Hersenkneuzing- ontsteking- en infectie (Dit gaat echt gepaard met klachten, hoeft dus niet in preventieve setting)
§ Doorbloedingsstoornissen (zie: § Aneurysma)
§ Cerebrale aandoeningen. Aandoeningen aan de grote hersenen (Tumoren kun je zien, atrofie ook, vaatafwijkingen ook. Wat bedoelen ze hier specifiek?)
§ Encefalon aandoeningen. Orgaan in de schedel bestaande uit miljarden zenuwen. (Dit is echt onzin. In de embryonale fase worden hersenen nog in prosencefalon, mesencefalon en rhombencefalon onderscheiden. Daarna: grote en kleine hersenen, pons, medulla en een boel kernen. Zie eerder.)
§ Epilepsie (Dit is een diagnose, gaat gepaard met klachten. Je kunt de extra corticale activiteit niet ‘zien’.)
§ Hoofdpijnen (Dit is een klacht, bezoek de huisarts of neuroloog, niet nodig in preventieve setting.)
§ Hydrocefalus. Waterhoofd. (Dat is vaak al wel duidelijk)
§ Hypothalamus aandoeningen (hersenklier die hormonen produceert.)
§ Neurale aandoeningen
§ Toxoplasmose. Infectieziekte die kan ontstaan na besmetting van een parasiet.
§ Luchtweg aandoeningen (Ja, maar dan wel héél diep onderin het hoofd…)
§ Centrale gehoorbeschadigingen (Dat geeft toch het symptoom ‘gehoorverlies’?)
§ Cerebrovasculair accident. Hersendoorbloedingsaandoening. (Indien klinische verschijnselen aanwezig waren/zijn is het niet meer echt preventief. Verder leidt het alleen maar tot ongerustheid.)

Bovenstaand rijtje is echt samengesteld om de leek te overrompelen. Net zoals bijvoorbeeld: ‘microdermosensoglycanen’ in een cremetje van € 50 per potje.

Kortom, ik heb zeer sterke bedenkingen bij het nut, het effect, de neveneffecten en het prijskaartje bij een dergelijke vorm van preventief onderzoek. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de grote bevolkingsonderzoeken naar borstkanker en baarmoederhalskanker. Daar wordt specifiek getest op een specifieke aandoening.

Alles samenvattend: ik raad het ten sterkste af. Als je dan toch MOET kiezen, zou ik met het geld twee keer met een tussenpoos van twee jaar gaan naar PreScan. Die verkoopt naar mijn mening de minste onwaarheden. Maar helaas toch nog teveel.

Maar dit alles is natuurlijk opgerakeld door de radio-show van vanochtend. En daarom zou ik aan de ‘frisserds’ van de morgen willen vragen: Edwin en consorten, durven jullie nog wel een preventieve scan aan?

Headlines

Filed Under (Nederlands, Nieuws, Persoonlijk) by Chris Pescott on 14-05-2007

Op mijn werk in Lelystad houdt men gezamenlijk lunchen niet erg hoog in het vaandel. Nu voel ik er weinig voor een heel relaas aan te horen van ieders weekend, maar het maakt het nuttigen van de middagmaaltijd wel wat ongezellig wanneer er niets is. Ik ga met mijn bruine boterhammetjes niet alleen in een lege ruimte zitten. Geen denken aan.

En dus ga ik regelmatig ergens anders even eten. Niet ver hiervandaan, een minuut of drie lopen, zit een donkerbruine lunchroom in het winkelcentrum. Omdat ik niet wezenloos voor me uit kan staren en ik ook niet bij wildvreemden aan tafel ga zitten, koop ik een los krantje bij een kantoorboekhandel op de hoek. Er ligt vaak nog maar één nrc.next op de stapel, ik ga er maar vanuit dat de stapel nooit dikker was dan dat. Soms is iemand me voor, en dan is er geen krant. Alleen De Telegraaf ligt er. Maar geen krant. Het kleurige wanproduct met sportfoto’s op de voorpagina weet me dit keer toch te verleiden tot een aankoop, bij gebrek aan beter natuurlijk.

Uiteraard prijkt er op de met-ADHD-besmette-wijze-ingekleurde voorpagina nog meer ‘nieuws’. Zo geven vele Nederlanders er de voorkeur aan te bellen met hun mobieltje wanneer ze thuis zijn. En wil Paul de Leeuw volgend jaar desnoods zelf naar het Eurovisie Songfestival. Erg belangrijk, dat snap ik ook wel. Maar een ander bericht trekt mijn aandacht: ‘Drama in Harens zorgtehuis’ leest het. In Times New Roman 72pt wordt de aandacht gevestigd op de zoveelste misstand in de zorg denk ik. Onderstreept en bekaderd met lijnen van een dikte die op de luchthaven het betreden van start- en landingsterrein aangeven, mag deze kop in ‘s lands pulpste dagblad niet ontbreken.

Wat wil het verhaal: Een bewoner bezweek vorige week aan de gevolgen van het Noro-virus en overleed. Er is ten minste één bewoner overleden. Meerdere mensen, waaronder personeelsleden, zijn ziek thuis met klachten van het maag-darmstelsel. Eén oudere verkeert nog in levensgevaar in het ziekenhuis. De verpleeghuisarts heeft het Regionaal Operationeel Team ter Bestrijding van Diarree en Braken gealarmeerd. Hermetsich is het tehuis afgesloten, en mag geen vies beestje of parasiet meer naar binnen. Familie mag alleen binnentreden voorzien van mondkajes en handschoenen. Erg hè? Ja!

Eerlijk gezegd ben ik superblij met dit Noro-virus. Eindelijk een micro-organisme wat we de schuld kunnen geven van het eisen van mensenlevens. Eindelijk eens een ziekte die mense nekt en velt en definitief de das om doet. Eindelijk eens geen overwerkte arts-assistent met zijn blunders, eindelijk geen zakkenvullende specialist die niet ‘in huis’ wil komen, eindelijk geen communicatieprobleem wat leidt tot ernstige medische missers. Nee, gewoon een banaal virus. Bedankt virus, voor het helpen opklaren van de lucht. Bedankt virus, voor het vestigen van de aandacht op jezelf, waardoor de strijd nu verplaatst naar micro-organismen in plaats van mega-verdieners. Bedankt virus, voor je opofferingsgezindheid. Driewerf hoera voor Noro. Hoera Noro. Hoera Noro. Hoera Noro. Dank je, dank je wel.

Nooit geweten dat ik als arts blij zou zijn met de komst van een fataal virusje. Het zijn de veranderende tijden zullen we maar zeggen.

Nachtdienst

Filed Under (Nederlands, Persoonlijk, Zorg) by Chris Pescott on 22-04-2007

Mijn bezorgdheid over de effecten van de werkuren tijdens mijn Intensive Care (IC) stage in een Randstedelijk topklinisch ziekenhuis was aan dovemansoren gericht. Commentaar werd niet geduld, afgedaan met de stelling dat de specialist dit ook jarenlang had moeten doorstaan. Laat ik een schets geven van de situatie.

Voedingsbodem De avond-nachtdienst begint om 18:00, met aan het begin een overdracht. Lopende zaken van de dagdienst worden afgehandeld. Vanaf dat moment rust op jou de verantwoordelijkheid voor maximaal 12 beademde patiënten. Daarnaast ben je paraat voor assistentie op de Spoedeisende Hulp (SEH), en voor het beoordelen van patiënten op andere klinische afdelingen waar de toestand van een patiënt dusdanig verslechtert dat opname op de IC is geïndiceerd. Als arts-assistent draag je ook de pieper voor het prikken van infusen, wanneer dat door een ander niet lukt. Dit geldt voor het hele huis. Het is wellicht overbodig te melden dat in een ziekenhuis dat als traumacentrum is aangemerkt, en ook hartcentrum is, de patiëntenpopulatie best wel ziek kan zijn. Het ziekenhuis heeft één IC, waar in de avond-nachtdienst één arts werkzaam is. De 12 bedden zijn vaker vol dan leeg, en regelmatig doet de situatie zich voor dat de beste patiënt moet worden overgeplaatst naar een ander ziekenhuis om een slechtere een plaats te geven. Er is onvoldoende overleg tussen specialisten, hetgeen ertoe leidt dat de totale ‘zorgzwaarte’ enorm kan zijn.

Vele ingrijpende operaties waarbij intensieve nazorg noodzakelijk is worden dagelijks uitgevoerd, ook wanneer er geen plaats is op de IC. De gevolgen laten zich raden wanneer de gewone afdeling uiteindelijk toch een patiënt naar de IC wil laten overplaatsen. Voor overleg kun je als arts-assistent telefonisch terecht bij de dienstdoende intensivist, die een afweging maakt over het al dan niet in huis komen. Hun bereikbaarheid is goed te noemen. De kwaliteit van het overleg niet altijd optimaal. Bij overplaatsing komt de intensivist altijd in huis, zodat de arts-assistent mee kan op transport.

Een briefje aan de specialist Tijdens de avond-nachtdienst, die tot 09:00 duurt, ben je druk bezig. Af en toe kun je even slapen, maar de nachten dat je je bed niet ziet zijn talrijk. Dit wordt ook veroorzaakt door het afhandelen van administratie in de nacht. Brieven moeten worden gedicteerd, en deelname aan een groot landelijk IC-onderzoek betekent het registreren van gegevens van de bedlijsten. Dit hoeft natuurlijk niet per sé ‘s nachts, maar de achterstallige papierberg stapelt zich snel op.
Na de nachtdienst ga je naar huis, je staat in de file, eet, slaapt, wordt wakker, doucht en gaat weer op weg naar het ziekenhuis. En de dag erna weer, en de dag erna weer. Het is ronduit zwaar.

Vermeldenswaardig is nog dat van deze avond-nachtdienst slechts 8 uren worden betaald, omdat het ‘in principe zo is dat je in de nachtelijke uren slaapt’. Jäger heeft anders laten beslissen bij het Europese Hof, maar dat werd nooit als een valide argument gezien. En om je baan te houden houd je je dan maar enigszins gedeisd. Bovendien bleek het onmogelijk collega’s te motiveren hierover eens iets te zeggen, en om nou als enige de boer op te gaan…

In 2004 heb ik gedurende één maand 14 van dergelijke avond-nachtdiensten gedraaid. Daarnaast moest ook het dagdienstrooster worden opgevuld, waardoor ik die maand 23 diensten heb gewerkt. Toegegeven, er was een langdurig zieke arts-assistent, twee waren er op vakantie. De 24-uurs bezetting werd in die maand opgevuld met 3 arts-assistenten. In die periode ontstond bij de medisch manager IC het plan de aanvang van de avond-nachtdienst te vervroegen van 18:00 naar 17:00 uur. Hiermee zou de dienst nog een uur langer worden, en de rusttijd een uur korter. Veel zotter kon het m.i. niet worden, dit was aanleiding genoeg de volgende brief te schrijven, waarbij ik persoonlijke gegevens onherkenbaar heb gemaakt. Deze werd me niet in dank afgenomen. Het resulteerde uiteindelijk in het uitblijven van een beoordeling voor de stage.

 Of de hierboven vermelde omstandigheden waarin de meest kritieke patiënten worden overgelaten aan het inschattingsvermogen van relatief onervaren artsen heeft geleid tot medische missers laat ik voorlopig onbeantwoord. Dat dergelijke ‘zorg’ een prachtige bloedagarplaat vormt voor fouten waarbij mensenlevens op het spel staan, kan en wil ik niet ontkennen.Wel wil ik benadrukken dat mijn verhaal anekdotaal is, er zijn hieraan geen algemeen geldende conclusies te verbinden. Ik laat het aan Jelle Prins om dat naar aanleiding van zijn onderzoek wel te doen.

Ik ben niet vies van hard werken. Mijn rooster zit altijd wel dichtgepakt met verplichtingen en vrijwillige taken, maar het mag niet leiden tot onverantwoord handelen. Daar was in dit geval wel degelijk sprake van. Het is droevig dat deze mening niet werd gedragen door de opleiders. Mijn situatie was echter niet uniek. En nu verschijnt onderstaand artikel in de ‘krant’:

De Telegraaf, 21 april 2007 – ‘AMSTERDAM – De dagelijkse praktijk in bijna alle Nederlandse ziekenhuizen is al jaren dat arts-assistenten in de avonden, nachten en weekeinden er goeddeels alléén voor staan. Ze bemannen de Eerste Hulp, worden meestal aan hun lot overgelaten op verpleegafdelingen en staan nogal eens voor vragen van leven of dood. Eén op de vijf arts-assistenten heeft een burn-out, 40 procent blijkt oververmoeid. De kans, stelt Jelle Prins, dat een patiënt bij binnenkomst in een ziekenhuis door een specialist met een afgeronde opleiding wordt geholpen, is zeer klein. Vaak is de specialist buiten ‘kantooruren’ niet in het ziekenhuis, maar thuis, met vakantie of naar een congres en derhalve moeilijk of onbereikbaar voor de arts-assistent. Veel jonge artsen beschouwen zichzelf als productieslaaf van het ziekenhuis dat in hen goedkope arbeidskrachten ziet. Zij zijn bevreesd hun opleiders kritisch aan te spreken, uit angst hun baan te verliezen of het leven zuur te worden gemaakt. Prof. dr. P. Vierhout, voorzitter van de Orde van Medisch Specialisten, reageert geschokt op de onderzoeksuitkomsten. Hij overweegt deze nalatigheden van specialistenopleiders aan de kaak te stellen.’

Dat Prof. dr. Vierhout deze situatie niet (her)kent is ronduit verbazingwekkend te noemen, zelfs ongeloofwaardig. Ik reageer geschokt op het feit dat hij geschokt reageert. Dit heeft niets te maken met sluimerende klachten van arts-assistenten, dit heeft niets te maken met gewenning. Nee, dit heeft te maken met het belang dat specialisten hechten aan hun eigen nachtrust, de betrokkenheid bij de nieuwe lichting specialisten die zij zelf opleiden, de uren die zij zelf als AIOS in de kliniek hebben doorgebracht, de financiering van het peloton opleidingsassistenten, en met de gedachte dat je in meer uren werken meer kunt leren. Dat er wel een omgekeerde J-curve aan deze leercurve verbonden is mag een wetenschapper toch niet onbekend in de oren klinken. Van harte hoop ik dat de hoog opgeleide professionals in deze hand in eigen boezem steken. Zonder erkenning komen we namelijk niet verder.

tag cloud